Rond elf uur op donderdagavond gaat de telefoon. Slecht nieuws, zo wordt gezegd, en dat verwacht je eigenlijk ook als je zo laat door een collega wordt gebeld. Maar dat het nieuws zo slecht was ….

John Debouille is niet meer. Dat is eigenlijk, volgens John’s eigen maatstaven, niet mogelijk. John was namelijk van het type “niet lullen, maar poetsen”, het type “ik doe het zelf wel” en het type “ik kan niet kapot”. John had een conditie als een paard, en als die conditie hem in de steek liet, werd dat gecompenseerd met een ijzeren wil om toch door te gaan. Opgeven was geen optie. Dat John bij het uitoefenen van een van zijn favoriete sporten is “gevloerd”, kan dus eigenlijk helemaal niet.

Toen John met zijn latere nestor Gijs kwam praten over een eventuele overgang naar KEMBIT en ik toevallig de kamer binnenliep, zag hij er uit alsof hij een Judaskus kwam geven. Hij wist dat het onvermijdelijk was dat hij bij zijn toenmalige werkgever weg zou gaan, maar die enorme loyaliteit die bij hem ingebakken zat, zat hem in de weg om blij te zijn met een nieuwe uitdaging. Hij zou nooit een lange neus trekken naar wat hij daar achterliet.

Bij KEMBIT was John, na het aantreden van het nieuwe managementteam onder leiding van Patrick, de rots in de branding waar het om “oude” KEMBIT normen en waarden ging. Wat hem in KEMBIT had aangetrokken, die onvoorwaardelijke hang naar kwaliteit en professionaliteit, maar ook die onverwachte en verrassende  dingen, die het bedrijf maakt wat het vandaag de dag is. Wat goed is, moet goed blijven en dat uitte zich niet alleen bij KEMBIT in het vasthouden van traditionele waarden, maar ook in zijn zelfopoffering, als geducht karnavalsontvluchter, om Paul & Leo naar het LVK te chaufferen als die weer eens de finale hadden gehaald. Een enkel woord was voldoende om John anderhalf uur voor het afgesproken tijdstip al op de stoep te hebben staan, om toch vooral weer te genieten van iets dat wij alleen samen hadden.

John kon hard zijn; je kwam er niet makkelijk vanaf als je op het lijstje van door John te managen personen stond. Daar stond tegenover dat menigeen zijn MCSA of aanverwante certificering nooit had gehaald, als John ze niet achter de vodden had gezeten. John was ook hard voor zichzelf. Ook in zijn werkzaamheden schepte hij vaak meer op zijn bordje dan hij aankon. Maar opgeven? Ho maar. Dat verschafte hem trouwens ook het imago van ongenaakbaarheid: als John sprak, werd geluisterd. Hij sprak niet alleen met de autoriteit van de manager, maar ook met de autoriteit van de professional.

John was gepassioneerd in alles wat hij deed. Zijn passie voor KEMBIT moest worden gedeeld met zijn liefde voor het fietsen, het duiken, het filmen en zijn nimmer aflatende belangstelling voor technologische gadgets op het gebied van computer-, audio- en videoapparatuur. Soms, niet vaak, moest zelfs Rik daar zijn meerdere in erkennen.

Wat zal ik het missen, dat draaiende vingertje rond zijn slaap, waar geen bakkebaard tegen opgewassen bleek. De sigaretjes die ik stiekem samen met hem rookte (stiekem, ik rookte toch immers niet). We noemden dat in code crisisoverleg en stonden dan binnen twee minuten samen buiten aan een peuk te hijsen, met het jongensplezier van iets te doen waarvan eigenlijk alleen maar wij kennis hadden. Zo’n dingen had John met veel mensen en dat maakte hem in zijn contact met mensen zo bijzonder: dat had jij met hem alleen. Wat zal ik die blik omhoog missen als hij naar iets moest luisteren waarin hij de normen en waarden van het bedrijf niet herkende. Die ingehouden spanning, als een vulkaan die op uitbarsten staat, wachtend op het moment dat hij vuur mag spugen.

Op 48-jarige leeftijd wordt hij onwel tijdens een rondje fietsen. Waarschijnlijk op wilskracht haalt hij het tot thuis, waar hij dood op bed wordt aangetroffen. Het nieuws slaat bij KEMBIT letterlijk in als een bom in een terroristische aanslag. Niemand zag het aankomen, niemand had geloofd dat het zou kunnen, maar toch was hier die enorme knal en de grote krater van de explosie. Iedereen informeren is een martelgang: je moet iedereen die je het vertelt met een vuist in het gezicht slaan en dat weet je. We voelen ons verbonden in het ongeloof en het verdriet.

Hoe het verder moet? In de geest van John. Niet lullen, maar poetsen; een extra schep erbovenop als dat nodig is; recht in de leer; afstand nemend waar nodig en persoonlijk waar het kan en mag. En alles met passie. Als dat John’s erfenis voor KEMBIT is, kunnen we die alleen maar in bescheidenheid en dankbaarheid aannemen.

Paul